Hersenspinsels

hersenspinsels


December 2007

In deze nieuwsbrief het verhaal Hersenspinsels. Het is een pracht verhaal, reden om het in deze decembermaand onder de aandacht te brengen.

Hersenspinsels
Er was eens een sprookjesverteller. Zijn hoofd zat vol met al zijn hersenspinsels. Hele werelden vol met planten en dieren had hij bedacht en het meest wezenlijke waren de wezentjes die door de mooie landschappen dartelden. Hij verzon fantastische avonturen voor ze, lieflijke en spannende,vreemde en avontuurlijke. Omdat de sprookjesverteller ze zelf bedacht had, kon de wezens niets overkomen, ze genoten daarom volop van alles wat er gebeurde. Daardoor hadden ze onderling ook geen problemen. Ze hadden geen steun of bevestiging nodig, er was geen jalouzie of machtsvertoon.
Ze werkten voor hun plezier en ze dartelden door hun leventje.
Hun wereld was hun thuis en van zo'n ideale toestand is eigenlijk niet veel te vertellen.
De sprookjesbedenker deed dat echter wel. Op een dag begon hij te vertellen over alles wat er in zijn hoofd gebeurde. Misschien deed hij dat al wel heel lang, maar had niemand het gemerkt.
Hij praatte over de ondernemende wezentjes, de wonderlijke dieren en de mooie landschappen. Op een dag merkte een van de wezens , die op zijn rug naar de wolken lag te kijken dat er in het suizen van de wind klanken te horen waren Het verstond woorden en nadat hij heel lang had liggen luisteren, kwam het tot de conclusie dat het een stem hoorde, die hun leven, zijn leven en dat van de anderen beschreef. Het herkende de avonturen. Dat was een ontdekking.
De verschillende wezens vormden met z'n allen een verhaal. Het wezen sprak erover met de anderen, maar de meesten wilden niet naar hem luisteren.
"Je kunt het toch zelf horen", zei hij, "luister maar, hij, wiens bedenksels we zijn, praat over ons". "Wie is die hij?" zeiden ze en "wie vertelt wat over ons?" "Hij in wiens hoofd we zitten, vertelt over ons. We zijn niet alleen hier binnen, we zijn nu ook buitem hem". "Buiten hem?" reageerden de anderen,"er is geen buiten, er is niet anders dan hier, dat kan helemaal niet, het is allemaal verbeelding". "Hij vindt mij belangrijk genoeg om over te praten", zei het eerste wezentje, "ik voel het, ik ben niet alleen hier, ik ben ook buiten". De meeste anderen gingen verder met hun bezigheden en luisterden niet meer. "Het is hem in zijn hoofd geslagen", zeiden ze. Een enkele nieuwsgierige wilde er toch meer van weten en zo groepten er een paar om de eersteling heen. "Vertel eens, wat heb je nu precies gehoord? Misschien heeft hij ook wel over ons gepraat en hoe weet je nu over wie hij praat?"
"Luister maar", zei de eerste, "we zijn de hoofdrolspelers in zijn verhaal". De wezentjes werden steeds nieuwsgieriger naar de wereld buiten en ze braken er hun hoofdjes over hoe ze daar zouden kunnen komen. "Het is de wind dat we zijn stem horen", zeiden ze, "de wind is zijn adem. Als we nu eens probeerden met de wind mee naar buiten te waaien, als hij dan aan het vertellen is". Zo deden ze en ze plonsden als het ware in het verhaal en stroomden er in mee.
Het was geweldig spannend en ze voelden zich als helden.
"Nu moeten we ook een naam hebben", vond er een, "dan kan hij ons uit elkaar houden". "Noem mij maar eerste", zei het wezen dat de stem van het eerste had gehoord. "Dan ben ik tweede", zei het wezen dat over de namen was begonnen. "Nee", wierp een ander ertussen, "ik was de tweede die buiten was". Beschaamd keken ze elkaar aan, dit hadden ze niet eerder meegemaakt. Was er werkelijk eentje belangrijker dan een ander? Ze kropen dicht bij elkaar, de buitenwereld was toch wel erg groot,
al leek het nog zo op de binnenwereld. Ze voelden zich verlaten, hoewel ze heel goed beseften dat ze sprookjesfiguren waren en dat ze meespeelden in het verhaal van de sprookjesbedenker die hen creeerde. Ze kregen dan ook steeds meer moed door de verhalen die ze over zichzelf hoorden. Ze herkenden die verhalen en ze begonnen een beetje te wennen aan deze nieuwe situaties. Meer en meer gingen ze zich echter identificeren met de figuren uit de verhalen en ze speelden hun rol steeds serieuzer en steeds fanatieker. Af en toe vochten ze ook en vergaten totaal dat het maar een spel was.
Ze hielden nog van elkaar, ze misten elkaar ook, maar ze hadden soms een hekel aan elkaar of waren boos en jaloers op kleine successen. Vaak misten ze de binnenwereld maar het verlangen naar dat vreugdevolle bestaan vervaagde. Alleen een weemoedig verlangen bleef knagen.
"Bestaat er echt zo'n mooie, veilige, liefdevolle wereld?" vroegen ze elkaar, en: "Hoe komen we daar weer, hoe kunnen we de weg terug vinden?" "Je moet luisteren", zei er een, "we zijn het verhaal van de sprookjesbedenker en op een dag zal hij toch vertellen hoe we weer terug kunnen komen". "We moeten erom vragen", zei een ander, "dan worden we wel weer binnengelaten". "Je moet het verdienen", zei een derde, "we moeten lieve en flinke en mooie dingen doen, dan mogen we weer binnenkomen".
"Kunnen we deze wereld niet net zo mooi maken als het vroeger was?" vroeg een idealistisch wezentje. "Misschien pas als je dood bent, als jouw verhaal uit is", zei een ander. "Laten we in ieder geval niet vergeten dat er een andere wereld is, we moeten er over vertellen en lezen en schrijven". En zo ontdekten ze, dat ze behalve een sprookjesfiguur ook nog een sprookjesbedenker konden zijn.
Ze waren in staat hun eigen levensverhaal te schrijven.
En de sprookjesbedenker zelf? Hij lachte zacht en liefdevol en vol verbazing begreep hij dat de wezentjes dachten dat hij ze vergeten had en uitgebannen. Hij had ze bedacht en ze leefden dus nog steeds allemaal in zijn hoofd waar ze onstaan waren. "Maar ook de buitenwereld is mijn wereld, van mij en van mijn wezentjes.
Mijn adem zorgt voor het ritme voor actie en rust. En het mooiste is dat een wezen dat zich herinnert dat het mijn hersenspinsel is, weer helemaal wordt opgenomen in mijn hoofd".
Anke Noortje Kluwer-Eggink Prana april 1991.
Website Theresia Studio Klankdruppels